Selecteer hier de onderwerpen en thema's die je interesseren:

Essay in het FD: Omarm de onzekerheid

In het Financieele Dagblad van zaterdag 11 april verscheen van de hand van Farid Tabarki en Rindert de Groot het volgende artikel:

Weerbaarheid in tijden van crisis: omarm de onzekerheid

Kunnen we sterker uit de coronacrisis komen? Farid Tabarki en Rindert de Groot spreken, zij het voorzichtig, hun vertrouwen uit in de veerkracht van de mens.

Met alle vooruitgang is de mensheid terug bij af. Ze kijkt naar de natuur als een kip naar het onweer: met verbijstering, onmacht en paniek. Eigenlijk wil ze wegvliegen, maar haar vleugels kunnen haar niet dragen. In tegenstelling tot de kip heeft de mensheid wel een flinke bijdrage geleverd aan het extreme noodweer dat op haar pad komt. Het menselijk vernuft heeft geleid tot meerdere crises tegelijkertijd – pandemie, klimaat en wie weet wat nog komen gaat – en een plichtsgevoel om er iets aan te doen.

Kunnen we dat? Is het mogelijk om, voetbalorakels Van Hanegem en Cruijff indachtig, het nadeel van de menselijke aanwezigheid om te buigen in een voordeel? In 1992 beweerde Francis Fukuyama dat het ‘Einde van de geschiedenis’ was aangebroken: de val van het communisme had bewezen dat de liberale democratie had gewonnen en snel zou uitgroeien tot mondiaal model. Het bekroonde het moderne project, dat behalve een politieke ook een sociale, wetenschappelijke en economische kant had. Dit project was in 1789 gestart met de Franse revolutie en heeft ons inderdaad veel gebracht. De schoolklas, het paspoort, het stemhokje, het peer-reviewed wetenschappelijke tijdschrift. De communistische variant mislukte jammerlijk ten faveure van zijn kapitalistische concurrent. Het geopolitieke discours van de jaren negentig ging er daarom vanuit dat de hele wereld de gematigde, westerse denkwijze en systemen zou omarmen.

De geschiedenis eindigde echter niet. Fukuyama kreeg van allerlei kanten kritiek. Eén invalshoek valt nu speciaal op. Enkele jaren later, in 2000, publiceerde de Pools-Britse socioloog en filosoof Zygmunt Bauman het boek Liquid Modernity, helaas niet vertaald in het Nederlands, waarin hij betoogde dat ‘verandering de enige constante’ is en ‘onzekerheid de enige zekerheid’. Hij werkte zijn ideeën verder uit in latere boeken totdat hij ruim drie jaar geleden op 91-jarige leeftijd stierf.

Volgens Bauman zijn we verdoemd tot een liquid life, een vloeibaar leven waarin we steeds onze schepen achter ons moeten verbranden, we ons steeds heruitvinden en een continu, logisch levensverhaal op onze buik kunnen schrijven. De vloeibare samenleving is in zijn visie geen vrolijke kermisattractie voor de massa, maar voorbehouden aan de happy few. Met voldoende geld, connecties en papieren worden tijd en plaats irrelevant en het leven vloeibaar, maar de barrières die een arbeids- of klimaatmigrant voor zich opgetrokken ziet, maken diens leven spijkerhard. Een radicalere breuk met het gevoel van zekerheid en veiligheid van de afgelopen decennia is niet voorstelbaar. Menig regeringsleider speelt gretig de autoritaire kaart van het nationalisme tegen een vijand die zich van grenzen niets aantrekt.

De vloeibare moderniteit, waarvan Bauman beweert dat we er al middenin zitten, biedt (voor ons in elk geval) allerlei mogelijkheden om schoolklassen uit het industriële tijdperk overboord te kieperen, oude instituties te hervormen en met elkaar nieuwe verbindingen aan te gaan. Ook leidt het ertoe dat alle natuurlijke hulpbronnen tot onze beschikking zijn, productiecapaciteit zich moeiteloos verplaatst en kapitaal over de wereld flitst. De corporate jets en de vakantievluchten vliegen erachteraan. Creatieve bedrijven opereren vanuit hippe koffietentjes (of minimalistisch ingerichte huiskamers), teams zorgen voor zelfsturing en leren doen we levenslang.

Hoe zit dat in tijden van crisis? De oplossingen voor de huidige coronacrisis zijn allesbehalve vloeibaar: top-down worden ic-bedden verdeeld, apparaten en mondkapjes ingekocht, oekazes uitgevaardigd. In diverse Europese steden patrouilleert het leger op straat, een onheilspellend gezicht en ongetwijfeld slecht nieuws voor onze burgerlijke vrijheden, ook in de komende jaren. Voor wat mag, moet en kan, kijken we ineens volgzaam naar de overheid. Menig regeringsleider speelt gretig de nationalistische en autoritaire kaart van het nationalisme tegen een vijand die zich van grenzen niets aantrekt. Het zo rigoureus inperken van de bewegingsvrijheid van burgers is sinds de Tweede Wereldoorlog niet meer voorgekomen en mag geen gewoonte worden.

Na een crisis komt er weer een nieuwe balans. Wat blijft er overeind, wat verdwijnt, wat wordt versterkt en wat is er nieuw?

Toverwoord: veerkracht
In het zwartste scenario kunnen we het kind met het badwater weggooien. Dat kind is niet de mens die eeuwig te leven heeft en vrij is van ziekte en zorgen, maar de mens die zich vrij kan bewegen en ontplooien in een open samenleving. Die open samenleving is geen bijproduct van dertig jaar zorgeloze groei; eerder andersom. In een positiever scenario herstellen we vrijheid en mogelijkheden en zoeken we een nieuwe balans die beter recht doet aan de beperkingen van 8 miljard mensen op een planeet.

Een toverwoord hierbij is veerkracht. Zowel individuele mensen als samenlevingen hebben het vermogen om schokken te incasseren en ervan te herstellen. De bereidheid nu om de oude wetmatigheden terzijde te schuiven is groot: kennelijk zijn er alternatieven voor het ophokken van klassen, het land doorkruisen voor koffie met de klant en ellenlange vergaderingen in stoffige zaaltjes. We zetten alles op alles om elkaar de helpende hand te bieden (zij het op anderhalve meter afstand) en straks weer samen op te trekken wanneer het gevaar geweken is.
Het wordt tijd dat we een nieuw gesprek met elkaar voeren over de waarden die we met elkaar delen.

Veerkracht betekent niet alleen het vermogen om van een uitzondering weer terug te keren in een normale toestand, maar ook een capaciteit tot vernieuwing, stellen Ton Wilthagen en Paulien Bongers van het Impactprogramma Tilburg University. We springen over hick-ups heen en stellen gemakkelijker bestaande arrangementen ter discussie. Op die manier kunnen we (als we het goed doen) positieve tendensen in de samenleving versnellen, want ook dat is kracht van een crisis.

Een stevige crisis kan er zo toe leiden dat er meer discussie is over gedeelde waarden en meer ruimte voor het experiment.

Nieuw gesprek over waarden
Het wordt dan ook tijd dat we een nieuw gesprek met elkaar voeren over de waarden die we met elkaar delen. We staan nu op de overlevingsstand en tonen solidariteit, maar hoe we onzekerheid met elkaar in de toekomst willen opvangen en onder ogen willen zien, verdient nadere uitwerking. Wellicht kan de klassieke stoïcijnse opvatting inspiratie bieden, die mensen aanraadde om door goed te leven en goed samen te werken de afhankelijkheid van genot en de angst voor pijn te verminderen. We zullen de gedeelde puzzels in elk geval samen moeten oplossen. Dat illustreert de Omgevingswet, een nieuwe manier van integrale gebiedsontwikkeling waarbij hele regio’s samen waarden formuleren om daarmee een basis te leggen voor het integraal oplossen van complexe vraagstukken als energietransitie, circulaire economie, ecologie en sociale ongelijkheid.

Binnen een opgefrist pakket waarden moeten sommige arrangementen overboord. Wat dat betreft is het goed dat de farmaceutische industrie eindelijk de handen ineen heeft geslagen om de gezondheid van de mensheid te dienen in plaats van haar eigen portemonnee. Het is te hopen dat de verschillende spelers daarbij blijven samenwerken en in alle transparantie hun fouten durven toegeven. Het zijn immers mede hun talrijke experimenten die een medische doorbraak kunnen bewerkstelligen, mits ze die zorgvuldig en compleet rapporteren. Daar heeft het in de afgelopen jaren wel eens aan geschort.

Van fouten leren
De bereidheid om het experiment aan te gaan en fouten toe te geven, is overigens in de medische wereld steeds gebruikelijker. Dat stemt hoopvol. Het UMC Utrecht heeft inmiddels de Adrienne Cullen-lezing ingevoerd, genoemd naar een patiënt bij wie een arts van het ziekenhuis had geblunderd met fatale consequenties. Sinds 2018 staat men er jaarlijks bij stil hoe om te gaan met medische missers. De zorg wordt beter als we van fouten leren, niet als we de schuldigen bestraffen, betoogde Pauline Meurs vorig jaar in het FD. Een soortgelijke dynamiek kennen we uit de Escape Room, populair in hr-kringen: zet sollicitanten in zo’n interactief spel en je weet heel snel wat je aan ze hebt.

Samen op een speelse manier problemen te lijf gaan en daarbij de gedeelde waarden eens flink opschudden is momenteel ver van ons bed. Toch zullen we elkaar op een dag weer moeten loslaten in de grote wijde wereld. Daarin zal hopelijk meer ruimte dan ooit zijn voor het nieuwe idee en het experiment. Daarin omarmen we de onzekerheid en geven we elkaar vertrouwen.

De echte test komt immers nog.

Farid Tabarki en Rindert de Groot zijn beiden verbonden aan Studio Zeitgeist.

Filosoof Karl Popper zei het ooit in een interview: ‘Optimisme is een plicht. We moeten focussen op de dingen die gedaan moeten worden en waar we verantwoordelijk voor zijn.’ Daar kan ik me wel in vinden en ik weet vrijwel zeker dat ook filosoof en kunstenaar Koert van Mensvoort tot deze school behoort. In zijn boek Next Nature ziet hij een positief geloof in de mensheid als een morele plicht. Doemdenken over de menselijke soort komt voor Van Mensvoort neer op zelfhaat. De mens stelt hij centraal – dat is hij immers zelf – en hoopvol is hij omdat hij niet anders wil. 

Ik vind zijn enthousiasme aanstekelijk, te meer omdat we er met méér van hetzelfde niet gaan komen. Van Mensvoort, tevens oprichter van het ‘Next Nature Network’, zegt dat de grote natuurorganisaties een conservatief beeld van de natuur hebben. Eigenlijk was vroeger alles beter, dus richt men zich op herstel en behoud. Daar tegenover plaatst Van Mensvoort de unieke mogelijkheden van de mens als evolutionaire katalysator. Die rol speelde geen enkele diersoort eerder. Terwijl in de afgelopen paar miljard jaar de evolutie op basis van DNA, genen en koolstofverbindingen voort strompelde, schiet die nu door middel van nieuwe materialen zoals silicium en plastic met sprongen tegelijk vooruit.

We spreken van het antropoceen, een geologisch tijdperk waarop de menselijke activiteiten van de mens de grootste impact hebben. Deze activiteiten bedreigen weliswaar bestaande ecosystemen, maar leiden ook tot een diversificatie van zowel biologisch als technisch leven. De auteur stelt zich de gewaagde vraag of de bezorgdheid om het verdwijnen van soorten eigenlijk wel terecht is.

Heeft Van Mensvoort niet misschien een enorm bord voor zijn kop en verkondigt hij het blije techno-gospel zoals zovele hightech toekomstdenkers? Nee, ik denk dat zijn verhaal wel hout snijdt. Hij wijst op een belangrijke verantwoordelijkheid van de mens, namelijk die om de evolutie de juiste kant op te sturen.

Hij is geen alarmist, maar waarschuwt wel: als we niet uitkijken, wordt het antropoceen opgevolgd door het technoceen, het tijdperk waarin de technologie een grotere impact heeft, veel groter dan de mens. Dat is niet de bedoeling: Van Mensvoort stelt zeer bewust de mens centraal. Het is daarom onze grootste morele verantwoordelijkheid om biologie en technologie in balans te brengen.

De juiste balans tussen biologie en technologie betekent onherroepelijk dat we vooruit moeten: we kunnen de techno-sfeer niet afschaffen of ongedaan maken. ‘De evolutie gaat door, we moeten vooruit’, schrijft Van Mensvoort. ‘Maar al te naïef inzetten op een wereld waarin technologie biologie vervangt, is net zo onverstandig. We moeten koorddansen: balans.’

Van Mensvoorts toon is plezierig: zijn oplossing klinkt redelijk en zijn geloof in de mensheid is hartverwarmend. In essentie pleit hij immers voor een humane technologie die de behoeftes van de mens als uitgangspunt neemt. ‘Het vergroot onze zintuigen in plaats van ze af te stompen. Het plaatst mensen in hun kracht, in plaats van ze overbodig te maken. […] Humane technologie dient niet enkel het individu, maar allereerst de mensheid als geheel.’

Het is wel veel gevraagd voor die mensheid die er inderdaad ‘nog maar net is’. Pas voorzien van intellectuele gaven zijn we de wereld om ons heen al onherroepelijk aan het veranderen. Het bewaren van onze menselijkheid (die zelf ook nog eens verder evolueert) is geen sinecure.

Komt de mensheid inderdaad over haar collectieve neiging tot zelf-destructie heen? Over honderd jaar lezen we Next Nature weer eens terug. Dan zeggen we: ‘Het is niet gemakkelijk geweest, maar zonder die hoopvolle, optimistische houding hadden we het nóóit gered.’

Deze boekrecensie van Farid Tabarki werd op 15 juni gepubliceerd in het Financieel Dagblad.

Hoe maken we de kunst- en cultuur sector in Rotterdam inclusief? Daarover organiseert de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur op dinsdag 28 mei een openbaar debat. Studiegenoot Farid Tabarki tekent voor de gespreksleiding en leidt het debat tussen praktijk en politiek in goede banen.

 

In het rapport de Stad is meervoud adviseert de RRKC de gemeente, de cultuursector en individuele instellingen om werk te maken van inclusiviteit en zet zij uiteen welke kansen dat biedt voor de sector en de stad. Wethouder Saïd Kasmi heeft laten weten de komende jaren te willen komen tot een inclusiviteitspact en kennisuitwisseling van instellingen onderling. Hij zal op 28 mei een reactie geven op de aanbevelingen uit het rapport.

Rotterdam is een stad met 170 verschillende nationaliteiten. Toch is de cultuursector te weinig een afspiegeling van de Rotterdamse bevolking. De gesubsidieerde instellingen blijven grotendeels eurocentrisch en traditioneel in vergelijking tot het informele veld dat cultureel diverser en inclusiever is. Tussen deze twee circuits is weinig uitwisseling en doorstroom. In een meer inclusieve cultuursector kan nieuw talent zich beter ontwikkelen en een praktijk opbouwen in Rotterdam. Lees meer